Merijn de Jong


mr. M.C. de Jong

Merijn de Jong is in 1994 afgestudeerd in Nederlands Recht aan de universiteit in Maastricht. Hoewel hij zich tijdens zijn studie vooral op strafrecht heeft geconcentreerd, is hij ná zijn studie vooral met migratierecht aan de slag gegaan. Eerst als vrijwilliger bij Vluchtelingenwerk Utrecht en vanaf 1996 als juridisch medewerker bij Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn advocaten en notarissen te Den Haag (dit kantoor vertegenwoordigt in vreemdelingenzaken de Staat).


Direct telefoonnummer: 010-7144602
In 1998 is Merijn beëdigd als advocaat te Rotterdam. Zijn opleidingstijd bracht hij door bij Advokatenkolletief Vreewijk, waar hij zaken behandelde op het gebied van vreemdelingenrecht, strafrecht, huurrecht en personen- en familierecht. In 2001 en 2002 was hij werkzaam bij Aartsen & Van der Biezen advocaten te Utrecht. Daar ontwikkelde hij zich met name tot specialist op het gebied van asielrecht, vooral voor vluchtelingen uit Irak. In 2003 onderbrak Merijn zijn loopbaan in de advocatuur. Hij gaf les en werkte bij de Nederlandse Mededingingsautoriteit te Den Haag, waar hij meewerkte aan de ‘bouwfraude’zaken.

Op 1 januari 2007 maakte Merijn zijn herintrede in de advocatuur. Hij behandelt zaken op het gebied van zijn ‘oude’ specialismen 'regulier' vreemdelingenrecht (dat is al het migratierecht behalve asiel), en huurrecht. Daarnaast neemt hij zaken in op het gebied van het algemene verbintenissenrecht. Kernkwaliteiten van Merijn zijn analytisch vermogen en het ‘strategisch’ benaderen van een zaak. Daarnaast heeft hij een scherpe pen en is hij in staat een zaak met verve op een zitting te presenteren. In zijn vrije tijd houdt hij zich bezig met muziek en acteren, en beoefent hij het oosterse denkspel ‘go’.

Curriculum vitae

Geboren 1969, jaar van afstuderen (Maastricht): 1994, beëdigd als advocaat: 1998. Was eerder werkzaam bij:
Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn advocaten en notarissen te Den Haag
Advokatenkolletief Vreewijk te Rotterdam
Aartsen & Van der Biezen advocaten te Utrecht
Flanderijn Trainingen (verbonden aan Flanderijn Gerechtsdeurwaarders) te Rotterdam
De Nederlandse Mededingingsautoriteit te Den Haag

Lidmaatschappen

De Specialisten Vereniging Migratierecht Advocaten SVMA en de Rotterdamse werkgroepen Vreemdelingenrecht, Woonrecht en Verbintenissenrecht.
Voorbeeldzaken Merijn de Jong

Voorbeeldzaken Merijn de Jong

Nieuws

door Merijn de Jong 30 jan, 2017

Een samenwonend stel bezit een pand dat is gesplitst in een boven- en een benedenwoning. Zij wonen samen met hun twee kinderen van 6 en 8 in de benedenwoning, en hebben de bovenwoning aan een echtpaar (vijftigers) verhuurd. Op een gegeven moment verbreekt de relatie van de eigenaren. De vrouw gaat tijdelijk in een andere woning wonen, maar die is erg klein. De dochter moet bij haar op de kamer slapen, en er moet een betere oplossing worden gevonden.

Omdat de eigenaren nog wel goed met elkaar overweg kunnen, komen ze tot de slotsom dat het ideaal zou zijn wanneer hij in de bovenwoning zou gaan wonen, en zij beneden. De kinderen kunnen hun eigen kamers houden en toch zo vaak bij hun vader zijn als ze maar willen. Ze vragen het echtpaar om de bovenwoning te verlaten. Het echtpaar verzet zich echter; ze willen wel weg maar pas als ze in aanmerking komen voor een 55+woning. Daarvoor kunnen ze geen termijn toezeggen. Overleg volgt maar ze komen er niet uit.

Merijn de Jong legt namens de woningeigenaren het geschil voor aan de kantonrechter. Hij brengt naar voren dat de eigenaren zich kunnen beroepen op de wetbepalingen over ‘dringend eigen gebruik’, en dat aan de voorwaarden daarvoor is voldaan. Het echtpaar kan andere woonruimte krijgen en de eigenaren hebben hun een verhuiskostenvergoeding aangeboden.

De kantonrechter geeft het echtpaar nog een half jaar om andere woonruimte te vinden, en beëindigt de huurovereenkomst. De eigenaren kunnen weer over hun eigen woning beschikken.

De uitspraak van de kantonrechter vindt u hier.
door Merijn de Jong 01 jan, 2017
Een huurster in de pensioengerechtigde leeftijd heeft een volwassen, inwonende zoon. Zonder dat zij het weet, bouwt hij een kleine hennepplantage in het schuurtje in de tuin. Dat schuurtje is zijn domein, zij mag daar niet komen. De politie ontruimt de plantage en de woningcorporatie komt erachter. Zij vordert ontruiming van de huurwoning bij de kantonrechter.
Merijn de Jong brengt in de procedure bij de kantonrechter naar voren dat de moeder niet van de plantage heeft geweten, en verder dat zij een groot woonbelang heeft. Ze woont al vijftig jaar in de betreffende buurt en ze is psychisch niet stabiel, wat wordt aangetoond met stukken.

De kantonrechter weegt het woonbelang af tegen de betrekkelijk geringe gevaarzetting van de (beperkte) plantage en geeft Merijn de Jong gelijk. De moeder mag in de woning blijven wonen.

De uitspraak van de kantonrechter vindt u  hier.
door Merijn de Jong 02 okt, 2016

Een asielzoeker uit Irak heeft een flink aantal jaren in Nederland gewoond, en voldoet aan de voorwaarden van het zogenoemde ‘Generaal Pardon’ van 2007. Alleen is er volgens de IND (de Immigratie- en Naturalisatiedienst, die beslist over verblijfsvergunningen) een kink in de kabel: op een gegeven moment is de asielzoeker naar Italië vertrokken en daarmee heeft hij niet ‘ononderbroken in Nederland verbleven’, wat een voorwaarde is voor een vergunning onder het Generaal Pardon. Toen hij terug kwam naar Nederland, kwam hij volgens de IND niet meer in aanmerking.

Merijn de Jong gaat in bezwaar en vervolgens in beroep en voert aan dat het vertrek naar Italië pas heeft plaatsgevonden nadat in het debat in de Tweede Kamer op 13 december 2006 tot invoering van het Generaal Pardon is besloten. In de eigen interne stukken van de IND wordt deze datum ook als einddatum genoemd van de te beoordelen periode. De asielzoeker heeft ‘verworven rechten’: als de IND eerder was overgegaan tot beoordeling, had hij zonder meer een verblijfsvergunning gekregen. Dat de IND ‘ambtshalve’ (uit eigen beweging) pas later de beoordeling heeft gemaakt toen de asielzoeker al was vertrokken, kan niet aan de hem worden toegeschreven.

De rechtbank in Rotterdam is het eens met dit betoog, beroep gegrond en de asielzoeker krijgt een verblijfsvergunning.

De uitspraak van de rechter vindt u hier.

door Merijn de Jong 04 sep, 2016

Een vreemdeling uit het voormalig Joegoslavië procedeert jaren lang voor een verblijfsvergunning. In een aantal van deze procedures wordt hij bijstaan door een rechtskundig adviseur (geen advocaat), die hem in totaal ongeveer € 4.000,-- in rekening brengt voor rechtshulp. Deze adviseur maakt echter ernstige fouten. Zo laat hij een beroepstermijn verstrijken zonder beroep in te dienen, waardoor een beslissing van de IND niet meer kan worden aangevochten. Verder brengt hij te hoge bedragen in rekening voor een beperkt aantal handelingen. De vreemdeling is niet tevreden en vraagt zijn geld terug, maar dat wil de adviseur niet terug betalen.

Merijn de Jong schrijft een brief aan de adviseur waarin hij terugbetaling eist, maar dat helpt niet. Vervolgens dagvaardt De Jong de adviseur voor de kantonrechter. Deze oordeelt dat de adviseur geen recht heeft op € 4.000,--, maar dat hij slechts € 1.500,-- in rekening had mogen brengen. Het verschil moet de adviseur terugbetalen.

De uitspraak van de rechter vindt u hier.

door Merijn de Jong 20 apr, 2016

Een jongen van 16 jaar schrijft zich online in voor een opleiding HBO Logistiek Management. De facturen betaalt hij echter niet en hij maakt ook geen aanstalten de opleiding ook echt te gaan volgen. Het opleidingsinstituut dagvaardt de vader en vordert de lesgelden van hem, omdat de jongen minderjarig is.

Merijn de Jong voert in een verzetprocedure verweer namens de vader tegen de vordering. Hij brengt een aantal verweren naar voren, waaronder het argument dat de toestemming van de vader ontbrak bij het aangaan van de onderwijsovereenkomst. Omdat het gaat om een dure opleiding, mocht het opleidingsinstituut niet zonder uitdrukkelijke toestemming van een van de ouders deze overeenkomst aangaan. De Jong vernietigt namens de vader de overeenkomst.

De kantonrechter vindt dat ook. De zoon was onbekwaam om zich zonder toestemming van zijn ouders in te schrijven en de vader mocht zich op vernietiging van de overeenkomst beroepen. De vorderingen van het opleidingsinstituut worden afgewezen.

De uitspraak van de rechter vindt u hier.


Share by: