Bel ons tussen 8 en 19 uur op 010-7144600

Inigo Advocaten is op 1 maart 2017 gestart als hét Rotterdamse kantoor voor migratierecht. Voor alle soorten reguliere verblijfsvergunningen (zoals voor partner, studie, werk, maar geen asiel), tewerkstellingsvergunningen, vreemdelingenbewaring en nationaliteitsrecht, kunt u bij ons terecht.
Daarnaast is er een sectie voor problemen op het gebied van arbeid, wonen, bedrijfshuisvesting, contracten en sociale voorzieningen.

Ons team bestaat uit zes ervaren advocaten, met grote deskundigheid op hun vakgebied. Onze cliënten waarderen dat wij snel en duidelijk communiceren, en altijd het beste resultaat uit de zaak willen halen. Wij blinken uit in parate kennis van ons vakgebied, en zoeken graag met u alle mogelijkheden uit. Maar als er geen kans van slagen is, zeggen wij dat gewoon, want we verkopen geen valse hoop.

Wij vinden dat iedereen toegang moet hebben tot het recht. Bij Inigo helpen we u zowel op betalende basis als met gefinancierde rechtsbijstand (‘pro deo’). Belt u ons gerust, want in de meeste gevallen kunnen we direct en kosteloos een goede inschatting voor u maken of het nodig is een advocaat in te schakelen. Dan geven we ook een eerste inschatting van de kosten.

Nieuws

door Inigo Advocaten 02 jun, 2017

 

Ik ben gevraagd in mijn hoedanigheid als historicus te reflecteren op dit kantoor, Inigo Advocaten, op deze nieuwe, prachtige locatie, met de Maas voor de deur, en in deze prachtige stad Rotterdam. En ik heb, naast dat ik via Annemarie Dammann over de nodige inside information beschik, ook even op de website van Inigo Advocaten gekeken, waarop staat:  “Hét Rotterdamse kantoor voor migratierecht”, en vallen dan woorden als vreemdelingen & inburgering. Dat getuigt in deze tijden, van moed, om je als advocatenkantoor te associëren en te profileren met dit soort inmiddels beladen termen.

Vroeger

En als historicus vraag ik mij dan af hoe het vroeger dan zat in een stad als Rotterdam, met migranten en vreemdelingen. Nou, ik kan u nu reeds melden dat Rotterdam daar in het verleden een flinke portie van heeft gehad. Ik baseer me dan even op het boek uit 1998 onder redactie van o.a. Paul van de Laar, onze stadshistoricus, met de titel Bestemming Rotterdam. Vier eeuwen migratie . En dat boek beschrijft dat sinds het ontstaan van Rotterdam in de tweede helft van de Middeleeuwen, hier zich voortdurend groepen mensen uit andere regio’s hebben gevestigd.

Vluchtelingen

Een van de eerste grote golven betrof de periode van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (1588 en 1795): vluchtelingen uit de Zuidelijke Nederlanden, gekoppeld aan de val van Antwerpen in 1585. Het ging om meer dan 150.000 Zuid-Nederlandse immigranten die zich vestigden in de Noordelijke Nederlanden, waaronder uiteraard ook Rotterdam.  De vluchtelingen - lutheranen, calvinisten en doopsgezinden - wamen overigens niet alleen uit Antwerpen, maar ook uit als steden als Gent en Brugge. Mede dankzij deze vluchtelingen groeide het aantal inwoners van Rotterdam tussen 1561 en 1622 van 7000 naar bijna 20.000.

Hugenoten

Vervolgens ontving Rotterdam de hugenoten die na de herroeping van het Edict van Nantes in 1685 om religieuze redenen uit Frankrijk werden  verdreven. En in de 17e maar ook 18e eeuw kwamen hier ook heel veel Engelsen en Schotten heen. En vanaf het begin van de 17e eeuw ook veel Sefardische Joden uit Spanje en Portugal - dan denkt u wellicht ook  aan Baruch Spinoza,  een van Nederlands bekendste filosofen, en van Sefardisch-Joodse afkomst. En in de boeken van de Rotterdamse gereformeerde kerkenraad lezen we in dezelfde periode, zo rond 1600 dat er af en toe,  en ik citeer,  “moren” en “swartinnen” worden gedoopt. Kortom, de multiculturele samenleving avant la lettre

door Erwin Dingenouts 02 jun, 2017

In een procedure van advocaat Erwin Dingenouts heeft het Gerechtshof op op 9 mei 2017 een interessante uitspraak gedaan of 'airbnb' verhuur, waar geen toestemming voor is gegeven, (direct) kan leiden tot een ontbinding van de huurovereenkomst.

De woningcorporatie (Woonstad) vorderde deze ontbinding, en de ontruiming van het gehuurde, wegens onderverhuur door de huurder van een sociale huurwoning via het commerciële platform Airbnb. Het Hof heeft vastgesteld dat er minimaal 42 verhuringen hebben plaatsgevonden. Dat leverde een tekortkoming aan de zijde van de huurder op. Maar het Hof benoemt een aantal relevante omstandigheden (onder nr. 26 van het arrest) die in het voordeel van de huurder moeten worden betrokken:

  •  er was geen sprake was van overlast;
  •  de woning is niet onttrokken aan de sociale woningvoorraad en de woning haar woonfunctie heeft behouden;
  •  Woonstad de woning na ontruiming aan de voorraad sociale woningen zal onttrekken, terwijl de huurder weer in aanmerking zou komen voor een sociale woning;
  •  de huurder al 22 jaar als goed huurder deze woning had bewoond;
  •  het behoud van de woning wegens psychische problematiek van de huurder onontbeerlijk is; en
  •  de huurder direct met Airbnb verhuur is gestopt na ontvangst van de brief daarover van Woonstad, en heeft toegezegd nooit meer tot dergelijke verhuur te zullen overgaan.

De conclusie is dan ook dat de ongeoorloofde airnb-verhuur in beginsel zal kunnen leiden tot ontbinding van de huurovereenkomst, maar ook dat de rechter maatwerk verlangt, en (onder andere) deze bijzondere omstandigheden tot behoud van de huurovereenkomst kunnen leiden.

In eerste instantie had de kantonrechter Rotterdam met een iets andere andere motivering de ontbinding en ontruiming ook afgewezen.

Meer posts

Nieuws

door Inigo Advocaten 02 jun, 2017

 

Ik ben gevraagd in mijn hoedanigheid als historicus te reflecteren op dit kantoor, Inigo Advocaten, op deze nieuwe, prachtige locatie, met de Maas voor de deur, en in deze prachtige stad Rotterdam. En ik heb, naast dat ik via Annemarie Dammann over de nodige inside information beschik, ook even op de website van Inigo Advocaten gekeken, waarop staat:  “Hét Rotterdamse kantoor voor migratierecht”, en vallen dan woorden als vreemdelingen & inburgering. Dat getuigt in deze tijden, van moed, om je als advocatenkantoor te associëren en te profileren met dit soort inmiddels beladen termen.

Vroeger

En als historicus vraag ik mij dan af hoe het vroeger dan zat in een stad als Rotterdam, met migranten en vreemdelingen. Nou, ik kan u nu reeds melden dat Rotterdam daar in het verleden een flinke portie van heeft gehad. Ik baseer me dan even op het boek uit 1998 onder redactie van o.a. Paul van de Laar, onze stadshistoricus, met de titel Bestemming Rotterdam. Vier eeuwen migratie . En dat boek beschrijft dat sinds het ontstaan van Rotterdam in de tweede helft van de Middeleeuwen, hier zich voortdurend groepen mensen uit andere regio’s hebben gevestigd.

Vluchtelingen

Een van de eerste grote golven betrof de periode van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (1588 en 1795): vluchtelingen uit de Zuidelijke Nederlanden, gekoppeld aan de val van Antwerpen in 1585. Het ging om meer dan 150.000 Zuid-Nederlandse immigranten die zich vestigden in de Noordelijke Nederlanden, waaronder uiteraard ook Rotterdam.  De vluchtelingen - lutheranen, calvinisten en doopsgezinden - wamen overigens niet alleen uit Antwerpen, maar ook uit als steden als Gent en Brugge. Mede dankzij deze vluchtelingen groeide het aantal inwoners van Rotterdam tussen 1561 en 1622 van 7000 naar bijna 20.000.

Hugenoten

Vervolgens ontving Rotterdam de hugenoten die na de herroeping van het Edict van Nantes in 1685 om religieuze redenen uit Frankrijk werden  verdreven. En in de 17e maar ook 18e eeuw kwamen hier ook heel veel Engelsen en Schotten heen. En vanaf het begin van de 17e eeuw ook veel Sefardische Joden uit Spanje en Portugal - dan denkt u wellicht ook  aan Baruch Spinoza,  een van Nederlands bekendste filosofen, en van Sefardisch-Joodse afkomst. En in de boeken van de Rotterdamse gereformeerde kerkenraad lezen we in dezelfde periode, zo rond 1600 dat er af en toe,  en ik citeer,  “moren” en “swartinnen” worden gedoopt. Kortom, de multiculturele samenleving avant la lettre

door Erwin Dingenouts 02 jun, 2017

In een procedure van advocaat Erwin Dingenouts heeft het Gerechtshof op op 9 mei 2017 een interessante uitspraak gedaan of 'airbnb' verhuur, waar geen toestemming voor is gegeven, (direct) kan leiden tot een ontbinding van de huurovereenkomst.

De woningcorporatie (Woonstad) vorderde deze ontbinding, en de ontruiming van het gehuurde, wegens onderverhuur door de huurder van een sociale huurwoning via het commerciële platform Airbnb. Het Hof heeft vastgesteld dat er minimaal 42 verhuringen hebben plaatsgevonden. Dat leverde een tekortkoming aan de zijde van de huurder op. Maar het Hof benoemt een aantal relevante omstandigheden (onder nr. 26 van het arrest) die in het voordeel van de huurder moeten worden betrokken:

  •  er was geen sprake was van overlast;
  •  de woning is niet onttrokken aan de sociale woningvoorraad en de woning haar woonfunctie heeft behouden;
  •  Woonstad de woning na ontruiming aan de voorraad sociale woningen zal onttrekken, terwijl de huurder weer in aanmerking zou komen voor een sociale woning;
  •  de huurder al 22 jaar als goed huurder deze woning had bewoond;
  •  het behoud van de woning wegens psychische problematiek van de huurder onontbeerlijk is; en
  •  de huurder direct met Airbnb verhuur is gestopt na ontvangst van de brief daarover van Woonstad, en heeft toegezegd nooit meer tot dergelijke verhuur te zullen overgaan.

De conclusie is dan ook dat de ongeoorloofde airnb-verhuur in beginsel zal kunnen leiden tot ontbinding van de huurovereenkomst, maar ook dat de rechter maatwerk verlangt, en (onder andere) deze bijzondere omstandigheden tot behoud van de huurovereenkomst kunnen leiden.

In eerste instantie had de kantonrechter Rotterdam met een iets andere andere motivering de ontbinding en ontruiming ook afgewezen.

door Florimond Wassenaar 26 mei, 2017

In de Nederlandse wetgeving is bepaald dat een vreemdeling die vijf jaar lang een vergunning voor verblijf bij partner heeft, recht heeft op een onafhankelijke verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf. Eindigt de relatie bijvoorbeeld na vier jaren dan heeft de vreemdeling geen recht op een zelfstandige verblijfsvergunning. Hij of zij moet in dat geval in principe terugkeren naar het land van herkomst.

De tweede voorwaarde die aan zo een vergunning wordt gesteld, is dat de vreemdeling ingeburgerd moet zijn. Deze tweede voorwaarde is mogelijk in strijd met het recht van de EU.

Als het gaat om gezinshereniging regelt de EU een aantal verplichtingen voor de lidstaten waar ze zich aan moeten houden als ze regels maken op het gebied van gezinsmigratie. Nederland heeft één van die verplichtingen dus mogelijk geschonden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft daarom op 10 mei 2017 vragen gesteld aan het EU Hof van Justitie in Luxemburg over de rechtmatigheid van de inburgeringsvoorwaarde bij voortgezet verblijf in het Nederlands migratierecht.

Overigens hoeft de rechter zulke vragen niet te stellen als de EU regels voldoende duidelijk zijn. Maar als de hoogste rechter twijfelt aan de interpretatie van het EU-recht dan is hij verplicht daarover een vraag te stellen aan het Hof van Justitie in Luxemburg. Zo wordt bovendien bereikt dat de regels die binnen de EU gelden, overal hetzelfde worden toegepast.

Het is niet precies te zeggen wanneer uitspraak zal worden gedaan door het Hof van Justitie. Gelet op de doorlooptijden is de verwachting dat het zeker een jaar duren voor er een antwoord is uit Luxemburg.

Florimond Wassenaar behartigt de belangen van de vreemdelingen in de zaken waarover de Afdeling bestuursrechtspraak vragen heeft gesteld.

door Merijn de Jong 11 mei, 2017
We hebben er een paar jaar op moeten wachten, maar eindelijk is er meer duidelijkheid over de positie van buitenlandse ouders van Nederlandse kinderen. Op 10 mei 2017 deed het Hof van Justitie EU een baanbrekende uitspraak in de zaak Chavez-Vilchez en 7 andere moeders van buiten de Europese Unie, die allemaal een Nederlands kind hebben. In deze 8 zaken zorgt de moeder in hoofdzaak voor het kind, en is de Nederlandse vader min of meer nog bij het kind betrokken. De ouders leven gescheiden.

Terug naar het begin


Wat betekent deze uitspraak? We moeten even terug naar waar het allemaal begon. Op 8 maart 2011 verraste het Hof van Justitie met de uitspraak inzake Ruiz Zambrano. Twee Colombiaanse ouders kregen een kind in België. Omdat zij het kind niet hadden ingeschreven bij de ambassade van hun eigen land, kreeg het kind uiteindelijk de Belgische nationaliteit. De ouders, die geen legaal verblijf hadden in België, stelden het volgende. Als zij zouden moeten terugkeren naar Colombia, zou hun Belgische kind feitelijk worden gedwongen om België te verlaten. En niet alleen België, maar de hele Europese Unie. En dat, zei het Hof, is in strijd met het oprichtingsverdrag van de EU. Immers, een EU-burger moet zijn EU-rechten kunnen uitoefenen. Langs die weg konden de ouders dus, vanwege het belang van hun kind, hun verblijf legaliseren.

Veel rechtspraak

De uitspraak inzake Zambrano leidde in Nederland tot veel nieuwe vragen en dus rechtspraak. De situatie dat twee ouders geen EU-burgers zijn en toch een Nederlands kind hebben, komt in Nederland waarschijnlijk bijna niet voor. Des te meer kennen we echter de situatie, waarin een burger van buiten de EU een kind krijgt met een Nederlandse man of vrouw, terwijl er geen vaste relatie is of waarna de relatie verbreekt. De verzorgende ouder – in de praktijk blijkt dat vaak de moeder te zijn – heeft dan dus alleen of in hoofdzaak de zorg voor een Nederlands kind. Moet deze moeder uit Nederland vertrekken, dan moet het kind mee. De vader wil of kan er vaak niet voor zorgen.

De rol van de vader

Hoe moesten we deze situatie nu vergelijken met die van Zambrano? De IND, daarin gesteund door de Raad van State, stelde zich op het standpunt dat alleen als het uitgesloten was dat de vader voor het kind zou kunnen zorgen, de moeder verblijf moest krijgen. Voorbeelden daarvan zijn als de vader is overleden, onvindbaar is, langdurig in detentie zit of is opgenomen in een psychiatrische kliniek. Een vader die – met hulp van instanties – voor een kind zou kunnen zorgen, zou dat ook moeten doen. Ook als die vader dat helemaal niet wil.

Wat zegt het Hof?

Het Hof van Justitie breekt dit strenge standpunt open met de uitspraak Chavez-Vilchez. Een paar dingen vallen extra op in deze uitspraak. Het Hof overweegt onder meer het volgende:
  • De vraag wie de verzorgende ouder is van het kind is belangrijk, maar niet de enig doorslaggevende factor. Voor de vraag of het kind feitelijk wordt gedwongen om de EU te verlaten, moeten alle van belang zijnde omstandigheden worden meegewogen, zoals
    1. de leeftijd van het kind,
    2. zijn lichamelijke en emotionele ontwikkeling,
    3. de mate van zijn affectieve relatie met de ouder die EU-onderdaan is alsook met de verzorgende ouder, en
    4. het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan als het van de verzorgende ouder zou worden gescheiden.
  • Bij dit alles moet het belang van het kind voorop staan, en moet ook het recht op gezinsleven en familieleven worden meegewogen.
  • Nadat de vreemdeling die om verblijf vraagt, alle belangrijke informatie heeft aangeleverd, moet de IND ook zelf onderzoek gaan doen, onder andere om na te gaan waar de Nederlandse ouder verblijft.
  • Ook moet de IND nagaan of de Nederlandse ouder voor het kind kan en wil zorgen, omdat dit belangrijk is in de weging van belangen.

Correctie

Dit is een stevige correctie op het beleid van de IND. Waarom? Omdat het na deze uitspraak niet meer genoeg is voor de IND om te stellen dat de Nederlandse ouder mogelijk nog in beeld is. De IND zal zelf onderzoek moeten doen naar de Nederlandse ouder en vervolgens alle omstandigheden die het Hof heeft genoemd, moeten meewegen. Heel belangrijk daarbij is ook, dat als de Nederlandse ouder duidelijk niet voor zijn of haar kind wil zorgen, dat moet meewegen. Eerder hield de IND met de wil van de Nederlandse ouder helemaal geen rekening.

Beperkt

Het valt te verwachten dat de IND deze uitspraak – net als de Zambrano-uitspraak – zo beperkt mogelijk zal uitleggen. Zo zal de IND waarschijnlijk benadrukken dat het Hof nog steeds ruimte laat om een rol toe te bedelen aan de Nederlandse ouder, ook al verzorgt die het kind niet. Met name bij baby’s of juist bij oudere tieners zal de IND mogelijk beweren dat het verleggen van de zorg weinig emotionele impact zal hebben op het kind, en dat het gezinsleven met de tot dan toe verzorgende ouder kan worden uitgeoefend met ‘moderne communicatiemiddelen’.

Toch is het na deze uitspraak duidelijk dat het huidige beleid niet meer volstaat. Het moet soepeler, en met deze uitspraak in de hand hebben we een nieuw stuk gereedschap om de toegangsdeur tot Nederland voor verzorgende ouders van Nederlandse kinderen verder open te wrikken.

Meer informatie over deze uitspraak is ook te vinden in het interessante (Engelstalig) commentaar van prof. Steve Peers op deze uitspraak.
door Julien Luscuere 30 apr, 2017
Op 26 april 2017 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat de nieuwe wettelijke bepaling, die het mogelijk maakt om een vreemdeling vijf jaar te weren als deze eerder gebruik heeft gemaakt van onjuiste of onvolledige gegevens,  in strijd is met de Gezinsherenigingsrichtlijn. In die richtlijn is wel een mogelijkheid opgenomen voor de lidstaat om een vergunning te weigeren of in te trekken bij 'fraude' maar die voorziet niet in het weigeren van toekomstige aanvragen als wél aan alle voorwaarden is voldaan en er geen sprake is van fraude.

Casablanca

In de film Casablanca (1942) probeert Ilsa, gespeeld door Ingrid Bergman, met haar echtgenoot een visum te krijgen om vanuit de Marokkaanse havenstad naar Amerika te vluchten. Ze ontmoet echter een oude geliefde Rick, gespeeld door Humphrey Bogart. Het  confronteert haar dat ze naar beide mannen niet eerlijk is geweest. Maar heeft zij niet vooral zichzelf bedrogen..?

Deze klassieker is dan al 75 jaar oud, maar het thema over liefde, grenzen en bedrog heeft niets aan actualiteit ingeboet. Alleen zijn het spel en de regels nu anders, en ook de belangen. In 2006 wenste de toenmalige Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie, Rita Verdonk, vreemdelingen harder aan te pakken die door fraude of bedrog een verblijfsvergunning hadden gekregen. Niet alleen moest die vergunning worden ingetrokken, maar ook moest de kwaadwillige worden geweerd van een toekomstig verblijfsrecht. Het duurde zeven jaar voor die bepaling in de Vreemdelingenwet werd ingevoerd. Niet omdat het parlement er lang over moest vergaderen, maar omdat deze in andere nieuwe wetgeving, de Wet 'Modern Migratiebeleid', moest worden ingepast.

Onjuiste en achterhouden gegevens

De sanctie op 'fraude' werd uiteindelijk op 1 juni 2013 ingevoerd met art. 16, eerste lid, onder i, Vreemdelingenwet :
  • De aanvraag voor een verblijfsvergunning kan worden afgewezen als: [...] de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van een eerdere aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijzigen van een visum of een verblijfsvergunning hebben geleid of zouden hebben geleid;
De nieuwe bepaling is bijna gekopieerd vanuit artikel 18, eerste lid, onder c,  Vreemdelingenwet, waarbij de verleende vergunning weer kan worden ingetrokken als onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt. Dat lijkt consequent, maar de wetgever vergat dat er juridisch een groot verschil bestaat tussen het repareren van een situatie die niet zo had mogen zijn, of het later straffen van een persoon nadat die fout was ontdekt en hersteld.

Bij het eerste is niet van belang of iemand bewust heeft gefraudeerd,of zelfs maar enige kennis had van de fout. Het gaat er namelijk om dat de overheid op het verkeerde been stond en iets heeft gedaan wat niet de bedoeling was. Bij de nieuwe bepaling wil de overheid later de vreemdeling vijf jaar lang een vergunning weigeren vanwege die eerdere fout. Zelfs als hij of zij geen verwijt kon worden gemaakt, en zelfs als de nieuwe aanvraag wel 100%  in orde is.

Gezinsherenigingsrichtlijn

Die consequentie vindt de Raad van State veel te ver gaan in zijn nieuwste uitspraak. Daarbij verwijst de hoogste bestuursrechter naar artikel 16, tweede lid, onder a, van de Gezinsherenigingsrichtlijn waarin wel staat dat fraude kan leiden tot afwijzing of intrekking, maar niet dat  gezinshereniging in de toekomst weer mag worden geweigerd, zelfs als dan wel aan voorwaarden wordt voldaan.

Met de richtlijn uit 2003 hebben bijna alle Europese lidstaten, behalve Denemarken en het VK, afgesproken dat gezinshereniging tegen dezelfde minimale voorwaarden mogelijk moet zijn. Dat voorkomt dat er teveel verschillen ontstaan in het toelatingsbeleid van de lidstaten. Maar de richtlijn probeert ook gezinshereniging als een belangrijk recht toe te kennen aan mensen van buiten de Europese Unie, die daar al rechtmatig wonen.

Minimumnormen

Heel lang heeft Nederland gedaan  alsof onze regelgeving al helemaal aan die minimumnormen voldoet. Maar de afgelopen twaalf jaar is duidelijk geworden dat dit voor veel onderwerpen helemaal niet het geval is. Zo waren de inkomenseisen veel te streng, wat langzaam door uitspraken van rechters tot versoepeling heeft geleid. Ook de inburgeringsvoorwaarden zijn wat flexibeler geworden. Het bestraffen van vreemdeling voor eerdere fouten is, bij gezinshereniging, nu dus ook van de baan. Het wachten is op een uitspraak in een zaak waar de vergunning is afgewezen vanwege een (klein of oud) strafblad van de vreemdeling. Ook daar is de verwachting dat het snoeiharde beleid niet in stand kan blijven bij gezinshereniging.

Omgekeerde discriminatie

Een andere belangrijke winst van al deze uitspraken is dat de omgekeerde discriminatie van Nederlanders nu definitief een halt lijkt te zijn toegeroepen, en zij over dezelfde rechten beschikken als derdelanders die hun partner of kind naar Nederland willen laten komen. Het lijkt bizar, maar daar waar de Gezinsherenigingsrichtlijn minder streng was dan de Nederlandse regelgeving, bleef de IND Nederlanders uitsluiten van de werkingssfeer. Of te wel: zij hadden geen recht op die mooie Europese minimumnormen. Juridisch klopt dat als een bus. Maar voor de politiek was dit een ongemakkelijke waarheid die men liever toedekte.

Omdat het overgrote gedeelte van de zaken wel Nederlanders betrof, is de richtlijn heel lang als irrelevant buiten de juridische discussie gehouden. De achterstelling van eigen onderdanen kon echter politiek niet langer worden volgehouden toen bleek dat de richtlijn wel degelijk soepeler is dan de Nederlandse regels. De toenmalige staatssecretaris Fred Teeven erkende dat in oktober 2014. Om die reden heeft de Raad van State eind 2014 de knoop zelf doorgehakt en de richtlijn ook op Nederlanders toegepast hoewel die strikt genomen daar niet onder vallen.

En nu?

De uitspraak van de Afdeling is ook een signaal dat eenvoudig politiek wensdenken voor een "harde aanpak" niet zomaar in even eenvoudige regels moet worden omgezet. Zoals de rechter vaststelt moet rekening worden gehouden met Europese regels. Een wachttijd invoeren buiten die minimumnormen om is in elk geval ongeschikt, oordeelt de Raad van State,  wanneer de vreemdeling op basis van gezinshereniging bij zijn partner wil worden toegelaten.


door Marianne Wiersma 28 mrt, 2017

Bij brief van 23 februari 2017 aan de Tweede Kamer heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie meegedeeld de inkomenseis voor gezinshereniging te zullen versoepelen. Referenten die niet beschikken over een arbeidscontract dat op het moment van de aanvraag om gezinshereniging nog ten minste een jaar geldig is, kunnen voortaan ook aan het inkomensvereiste voldoen als zij in het jaar voorafgaand aan de aanvraag voldoende hebben verdiend en nog voor ten minste een half jaar werk hebben. Voor referenten met een arbeidscontract van korter dan een jaar en enig arbeidsverleden is dit een belangrijke vooruitgang.

Terugkijktermijn 1 jaar / 3 jaar
De nieuwe terugkijktermijn van één jaar is een aanvulling op de terugkijktermijn van drie jaar van artikel 3.75 lid 3 Vreemdelingenbesluit 2000 en zal niet alleen van toepassing zijn bij gezinshereniging, maar ook in andere situaties waarin een vreemdeling aan het inkomensvereiste dient te voldoen.

De aangekondigde wijziging is inmiddels vastgelegd in het nieuwe artikel 3.24b Voorschrift Vreemdelingen :

"In aanvulling op artikel 3.75, eerste lid, van het Besluit, zijn in het kader van verblijf als familie- of gezinslid middelen van bestaan verkregen uit arbeid in loondienst eveneens duurzaam, indien op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven een aaneengesloten periode van een jaar voldoende middelen van bestaan uit arbeid in loondienst zijn verworven en de middelen van bestaan nog zes maanden beschikbaar zijn."

Arrest Khachab
De versoepeling van het inkomensvereiste is een rechtstreeks gevolg van het arrest Khachab van het Hof van Justitie EU van 6 juli 2016 (C-558/14, JV 2016/171 nt M. Wiersma, ECLI:EU:C:2016:285) en de daarop volgende uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2016, 201504802/1/V3, JV 2016/226 en 21 september 2016 (201504802/1/V1, JV 2016/289 nt M. Wiersma, ECLI:NL:RVS:2016:2588).

Ruimhartige interpretatie nieuwe regel vereist
Problematisch aan de nieuwe regeling is dat het inkomen nog voor zes maanden beschikbaar dient te zijn. Referenten met een uitzend- of nulurencontract voldoen in beginsel niet aan deze voorwaarde omdat zij niet over een urengarantie beschikken. Zij vallen dan weer terug op artikel 3.75 lid 3 Vreemdelingenbesluit, dat de eis dat het inkomen nog zes maanden beschikbaar is niet (meer) kent. Maar over de uitleg van de woorden “beschikbaar zijn” zal het laatste woord nog niet zijn gezegd. Bij een ruimhartige interpretatie - vereist op grond van niet alleen het arrest Khachab maar ook het arrest Chakroun (HvJEU 4 april 2010, C-578/08, JV 2010/177 nt C.A. Groenendijk) - kan ook het inkomen van flexwerkers met een arbeidscontract zonder urengarantie dat nog zes maanden geldig is als "beschikbaar" gelden.

Inkomenseis terugkerende expats
In de brief van 23 februari 2017 aan de Tweede Kamer heeft de Staatssecretaris ook toegezegd het middelenvereiste voor terugkerende expats te versoepelen. De positie van een Nederlandse expat die geen arbeidsovereenkomst van minstens één jaar heeft, zal aan de hand van individuele omstandigheden worden beoordeeld. Omdat de Nederlandse expat wellicht niet goed op de hoogte is van de mogelijkheid tot het leveren van maatwerk bij deze beoordeling, belooft de Staatssecretaris gerichtere voorlichting te zullen geven.

Marianne Wiersma , advocaat

wiersma@inigo.nl

 

Meer posts
Share by: